dinsdag 22 juni 2010

Inspiratie.


Vorig artikeltje ging o.a. over inspiratie, over de natuur als bron van zowel onderwerp als materiaal en over hoe kunstenaars en ambachtslui in de Jugendstil daar dankbaar gebruik van maakten. Soms kom ik wel eens keramiek tegen die even sierlijk opgaat in zijn omgeving, die respons geeft aan structuren, kleuren, natuur en architectuur. Een mens haalt zijn inspiratie ergens, bewust of onbewuste en het visuele is een belangrijke bron van indrukken.
Eigenlijk kwamen vorige bedenkingen tot stand na het bezoeken van Facebook. Er zijn daar kringen van keramisten die elkaar ontmoeten op de electronische paden. Zo kwam ik bij Geoffrey Swindell terecht. Een Engels keramist wiens werk me deed denken aan pâte de verre.

Hij draait subtiele vormen in porselein en gaat ze dan oxiderend stoken op 1260°C. Maar voor ze in de oven gaan om het vuur zijn fixerend werk te laten doen, bereidt de man de huid van zijn kleinood voor op een heel eigen manier. Om een stabiele vorm te hebben wordt het kleine vormpje relatief dik gedraaid om zonder vervorming van de schijf te kunnen halen. In een later stadium wordt het behoorlijk afgedraaid en opnieuw vochtig gemaakt met een brede borstel. Dan vervormt hij de opening van het vaasje of het vaasje zelf in de laatste fase van het draaiwerk.


Het porseleinen oppervlak wordt bewerkt om textuur te tonen. Daarna brengt hij al een laagje vanadiumoxide aan op de potjes die met lusters gedecoreerd zullen worden.
Andere modelletjes krijgen structuur met scherpe voorwerpen en borstels. Na gecontroleerde droging worden ze biscuit gestookt. Om spanningen te voorkomen, wordt met een engobepeer de (niet zichtbare) binnenzijde van het vaasje geglazuurd en wordt het in een oven gedroogd op 1000°C. Op vaasjes met een uitgesproken textuur wordt eerst vanadium ingewreven om er daarna fijne laagjes rutiel, chroom, koperoxide en ten slotte een of meerdere laagjes glazuur op te spuiten.
Het zeer giftige vanadium (zou longkanker kunnen veroorzaken en is moeilijk te stabiliseren in glazuren, zodat het zeker nooit voor gebruiksgoed gebruikt mag worden!) heeft een heel eigen effect op de glazuren. Op hoge temperatuur onderbreekt het de smeltcurve van het glazuur en het gaat de kleuren en oppervlaktestructuur "aantasten".

De man heeft ook een eigen manier om met lusters te werken. Normaal gezien brengen metaallusters glans aan op het oppervlak en worden deze gestookt op 750°C als opglazuur. Door echter detergent, parafine en/of cellulose thinners op de luster te druppelen, breekt de oppervlaktespanning en verkrijgt hij een streperig effect.


Na het glazuurstoken wordt alle mogelijke glans nog eens weg geschuurd en met een laagje was werkt hij zijn kleinoden af.

Hoewel de werkwijze zeker niet aan mij besteed is, vind ik het resultaat ongelooflijk mooi, robuust en tegelijk teer met zeer duidelijk de natuur als inspiratie.
Wordt zeker vervolgd...

Geen opmerkingen: