donderdag 19 maart 2009

Kleur.

In mijn studententijd heb ik les gekregen van Walter Leblanc. Het was een boeiende man. Zijn naam bewijst hoe grillig het spel van het lot kan zijn. Walter Leblanc, "de witte" ter verduidelijking, heeft ons toen heel veel geleerd over kleur en de interactie met licht en structuur. Zijn opdrachten vielen onder practijk, maar ze vroegen zeer veel inzicht en research.



Via hem kwam ik ook met mijn neus in een van de grootste kleur-bijbels terecht: Colour (of wat dacht u?), samengesteld door prominente kleurexperts, psychologen, architecten, kunstenaars en ontwerpers en vertaald als ... Kleur (of wat dacht u?) door Dr. J. Walraven. Mensen van mijn generatie, en nu voel ik mij heel oud met deze zinssnede, die ook maar iets met kunst of zoals in mijn geval met ontwerpen te maken hebben gehad, koesteren vast nog een exemplaar van dit naslagwerk in hun boekenkast... naast het klassiek erkende werk van Johannes Itten over de kleurenleer, de relatie tussen kleur en kunst.
Het eerste is een groot en zwaar boek, onvoorstelbaar dat je zo veel over kleur kan vertellen. Maar de eerste regel van de inleidende tekst op de flap zegt alles: "Kleur wordt wel het meest potente middel tot communicatie en waarneming genoemd." Mooi is het ook dat er aandacht wordt besteed aan de fysisch theoretische benadering, gesteund op de theorieën van Newton, naast de benadering van Goethe, die als kunstenaar en verklaard tegenstander van de vorige, kleurbeleving centraal zette. Als we heel even de eerste volgen, dan blijkt dat kleur, net zoals tijd, voor een deel een fictieve ervaring is, zodat hij dan de vingertoppen van zijn tijdgenoot, de tweede, kan aanraken. Kleur is iets wat voorwerpen, structuren en allerlei eigenschappen van ondergronden doen met het licht dat als een bundel van stralingen met verschillende frekwenties en golfbewegingen door de zon wordt uitgezonden en je hebt een (goed werkend) oog nodig om deze informatie te vertalen. Het wordt al gauw heel theoretisch als we hier verder over gaan nadenken en lezen, maar, om het heel simpel te stellen, de zon of de lamp hebben we nodig als bron, een voorwerp met zijn textuur als vervormer en een oog als ontvanger.
Onze ogen staan niet los van ons lichaam, ze hebben interacties met andere ervaringen.

Kleur is zeer innig met ons en onze culturen verbonden. Vele primitieve stammen beschilderen hun lijf met "oorlogskleuren" alvorens ten strijde te trekken, vele godsdiensten scharen zich rond hun eigen kleurensymboliek. De natuur dan weer heeft ons geleerd dat een eetbare appel groen, rood of geel is. Een blauwe? Tja, dan denken we niet langer aan voedsel, maar meer aan kunst of zo. Rood, zo zit het in de genen, maakt ons alert, het kan afschrikken, zoals de rode kleur van bepaalde kikkers roofvogels moeten afschrikken, maar het kan ook opwinden, een eigenschap die veel terug komt in de erotiek. Kleuren kunnen misleiden, verhullen en onthullen, suggereren of uitschreeuwen... Het is een bouwsteen voor kunstenaars.



Kandinsky


De mensheid is al in vroege tijden op zoek gegaan om zich meester te maken over dit fenomeen. Van schilderingen zoals in de grotten van Lascaux in de Dordogne, waar de maker(s) slechts beschikten over 3 pigmenten: rode en gele oker (ijzerverbindingen) en mangaan, en eventueel wit door de calcietkristallen, tot het rijke pallet van het traditionele Indiase textiel.

In de Japanse taal wordt aan kleuren die met pigmenten worden verkregen, het achtervoegsel "wrijf" toegevoegd: sabi-suri (roest-wrijf), hai-suri (as-wrijf)... Kleurpigmenten geven hun magie enkel prijs bij het wrijven. Hogere omgevingstemperaturen zorgen voor rijkere vegetatie, waaruit volgt dat er veel meer geëxperimenteerd kan worden en daarom vind je in warmere landen traditioneel een veel rijker kleurenaanbod.

In het noordelijk halfrond zijn de ogen gewend aan grijze, groene en bruine aarde- en pasteltinten en het harde, contrasterende spel van wit en zwart, heel typerend in onze voorkeuren naar kledij en huisinrichting toe. In het Zuiden komen warme, rijke en heldere kleuren voor, alle tinten in alle schakeringen.

Eergisteren nog kreeg ik een dame in de winkel die aan het experimenteren was gegaan met haar (dure!!) verfpigmenten op biscuit en in glazuur. Ze vertelde dat het haar verwonderde dat alles weggeschroeid was. Inderdaad, de kleurpigmenten die in verf en de kunststofindustrie gebruikt worden, zijn niet bestand tegen de hoge keramische temperaturen. De meeste plastics worden verwerkt bij temperaturen die nauwelijks 300°C halen, terwijl we voor keramiek al gauw over 700°C spreken, minimaal.

Sommige mensen werken beelden af met boenwas en aanverwante producten die niet meer gebakken hoeven te worden en daar kan je dan kleur aan toevoegen die uit deze familie komt. De toestand van het pigment is statisch, moleculair gezien.

Maar keramiek, dat is een chemisch proces, er treedt een structurele verandering op tijdens het verhitten. Laagbakkende onderglazuren hebben al ongeveer de kleur die ze na verhitting zullen krijgen. Dat komt omdat deze producten gedeeltelijk bestaan uit vermalen reeds gebakken verbindingen. Maar "echte" glazuren, komen vaak groen of roze uit de emmer en bruin of blauw uit de oven.


Klanten zijn wel eens wantrouwig als ik hen een roze poeder meegeef en beloof dat het blauw glazuur zal worden... En dat is dan nog maar het tipje van de sluier die de alchemie van het keramisch proces omhult.


Hetzelfde doet zich voor met pigmenten, kleurmengsels of bodystains. De kleur die je in het potje ziet, kan nog altijd wat veranderen door de hoge temperaturen van de keramische oven. Echter, het is vaak zo dat deze pigmenten op lagere temperaturen dan weer niet helemaal tot hun recht komen en ofwel een laagje transparant glazuur vragen, of een verhitting tot 1200°C en meer.

Op mijn voorlopige De-Koploper-kleiwinkel-site/blog kan je een artikeltje lezen over het gebruik van kleurpigmenten en bodystains. Lees meer.

Tot mijn vreugde blijkt er een voorzichtige tendens naar meer kleurgebruik in de keramiek te zijn. Enfin, toch te merken in de verkoop van de klaargemaakte glazuren en pigmenten. Een overwegend wit interieur kan heel ruim en rustgevend overkomen, gedurfd kleurgebruik zegt iets meer over de personaliteit van de bewoners. Ik vind kunstenaars heel dapper als ze durven afstappen van het veilige wit-zwart-rood-trio.

Maar wat doen we nu met de onzekere keramist die mij twijfelend vraagt wat ik zou doen? Naar waarheid kan ik alleen zeggen dat ik zo veel mogelijk specialist probeer te zijn om te begeleiden in de keuze van je product om te kleuren naar het effect dat je wil bereiken d.m.v. glazuur, onderglazuur, kleurpigment, engobe... maar ik alles behalve kenner ben om kleurkeuzes te maken voor een ander. Ik heb het al meer dan moeilijk genoeg met het nemen van mijn eigen beslissingen...

Geen opmerkingen: